126
bevattelijkheid óp, en zet ze vóór u. — Hij koestert zijn luisteraars met de Vurigste innigheid in zijn toon, om ze te overtuigen, te doen begrijpen. Hij spreekt eenvoudig, hartstochtelijk-toegenegen als een ontroerde vader tot zijn zacht-weerspannige zoons. — Hij duldt geen vreemdheid tusschen zijn hoorders en hem. — Ze moeten zijn bedoelen tot den diepsten grond geraakt hebben, anders laat hij niet los. — Dat verbijstert in den aanvang. Het lijkt schel, hysterisch, opdringerig. Hij wil overheerschen, inhameren, overstorten. Hij juicht al om uw begrijpen, terwijl ge zelf nog treurt om uw verwarren en niet begrijpen. — Zijn enorme popularisatie-macht van abstracte beschouwingen, — zelden zegt hij iets nieuws — drukt en plet u plat. Die suggestieve drang in zijn stem, dat soms bijna smeekende om toch vooral de dingen te doorzien gelijk hij ze nu voorstelt, het wekt eerst uw afkeer. — Maar als ge hem een andermaal hoort, dan keert uw inzicht. Wat een begeesterd, zichzelf uitputtend wezen. Hoe open, argeloos, pijnlijk eerlijk is hij. Hoe vaak geeft hij zich prachtig bloot. Neen, nu hóórt ge het toch heel zuiver: hij pleit niet voor eigen meenings-voor-treffelijkheid, noch voor verheffing van persoonlijke gaven. — Dat smeeken, aandringen, gemeenzaam-u-toe-spreken, dat beroep op uw goeden wil, is een werking van zijn uitstroomende innerlijkheid. Niet dat hij het zegt, doet het waar zijn, maar het gezegde is alge-