125
geëischt. Zonder die al-omvaming van tijdperken, geen epische poëzie. De ״Mei" zal daar kinderwerk bij worden, als het ooit komt. — Maar het is er nog niet, wijl hij voor een heldendicht van dezen strijd tienmaal meer psychische en scheppende kracht zal te verbruiken hebben, dan voor zijn „Mei". —•־Eén hymne uit het heldendicht van den proletarischen strijd zal meer zonne-goud verslurpen dan gansch zijn allegorie op lente en zomer bijéén.
Voor heden is Gorter nog het schoonst in zijn gesproken woord. Denk hier niet aan rijke welsprekendheid, aan kunstigen phrasenbouw, aan fijn-dialectisch omkronkelen van tegenstanders' betoog. Polemische rhetoriek met fijnbedachte voorbereidingen van gevoels-zwelling en -daling mist hij absoluut — Hij heeft geen handigheid en geen zwier, geen berekening en geen verplooide diplomatie. Hij is eigenlijk heelemaal geen „redenaar". Maar wat hij wél heeft, dat is een geweldige ménschelijke kracht in zijn pathos; natuurlijk pathos. Hij verbrast den inhoud van zijn heele ziel, hij geeft alles, èlles van zijn denken en voelen. — Hij causeert niet in zelf-behagelijkheid, hij leutert niet mooidoenerig en zuigt geen phrasen met punten.
Als een kind zoo zuiver, zoo dringend-hartstochtelijk open spreekt hij. En toch, met de kracht van een reus trekt hij de dingen uit de diepte der onbevattelijkste