127
meen waar, ook zonder hem en zijn persoonlijke verklaring.
Daarom waagt hij er zoo hevige klemming aan te geven. Hij wil het geluk van zijn klasse, die hij lief heeft met een brandende liefde; die hij mint boven vrouw, kind, vriendschap; hij, die om een leven op éénheid berustend, te bereiken, zich van alles en dllen kan losmaken. Hij heeft het proletariaat heel zijn zingende ziel weggegeven. Is het genoeg ? Neen, want het socialisme eischt alles, alles. — En hij is nog zoo vaak een heerlijk in eenzaamheids-lyriek-verdoken peinzer, zoo in de mu-siceerende stilte van zijn visioenair dichterschap. — Zijn persoonsrust, zijn bemijmeren der dingen, zijn studie, zoovéél er van moet teruggedrongen voor den onmiddel-lijken propaganda-strijd. Hier geen toejuichende groepjes op gaanderijen, maar proletariërs die midden in den kruitdamp staan. Hier geen geridderde Mei-dichter, de borst behangen met oordeels-medailles, uitgereikt door vriend-kliekjes en speechende juries. — Gorter alleèn, door de bittere, snijdende felheid van zijn waarheidswoord, gescheiden van zijn liefste makkers. — Alleen, en toch méér saam, iederen dag, ieder gouden uur van zijn leven, met de menschheid en haar hoogste idealen, dan de onder vriendjes en vlei-makkers levende literaire óók-socialisten. Zijn liefde voor den bevrij dings-strijd van het wereld-proletariaat is in hem lévend en gistend als.