124
het strakke leven vooruit, zoo rent zijn ziel in de licht-omhulling van zijn geloovend geluk, de realiteiten voorbij.
Men bedenke : dit is geen tekst-critiek op vers, betoog, verweer. Allereerst sacLmvatting van zijn dichter- en mensch-eigenschappen en een begrips-omvatting van zijn gansche wezen. Maar daarmee ook onwillens verzet tegen Adama van Scheltema's verklaring en kenschetsing der Gorter-natuur. Deze ziet Gorter als een kil dogmaticus, die het leven uit zijn ziel heeft wèggeschuierd; als dè onartistieke. Voor hem is hij niet veel meer dan een levenloos mengsel van kinderachtigheid en nuchter verstand, zouteloos en smakeloos als water, met even weinig menschelijks als mevrouw Holst. Hij roemt zijn klaarheid. Maar hij noemt ze koud en kil. Dit nu is een felle onwaarheid. Gorter is klaar uit drang naar zéér concreet begrijpen van eigen denken en voelen, niet uit ontroeringsgebrek. Gorter leett bij wijle, als een condor over de wereld heenzwevend, bóven de wereld-woelingen.
Dat hooge roeien met zwaar gedruisch van vleugels tegen de ijle lucht in, is hem een ontembaar genot. Want plots, als het weer huiveren wordt in de eenzaamheid, stort hij zich met al zijn bewogenheid in den dadelijken strijd. — In Gorter is het helden dicht nog lang en lang niet volgroeid. De scheppend-synthetische kracht daarvoor ontbreekt hem nog totaal. Al wat groot en geweldig van ziel- en geestes-spanning is, wordt daarvoor