123
in vele opzichten, zelfs lijnrecht tegenover zijn waardebepalingen, zijn ontleding van personen en verschijnselen. — Vooral zijn philosojahisch verklaren en karakte-riseeren van levens-wetten en zijn zotte angst voor metaphysisch schouwen zweeft mijn*£e&$feverzet. — Zijn psychologie in de eerste plaats is zeer kinderlijk-onbeholpen en van een verstikkende eenzijdigheid. — Maar al zijn gebreken geobjectiveerd hebbend, zie ik hem als een der diepstlevende, meest oprechte menschen van dezen grooten tijd. Hij is zoo waar als vuur. — En zoo forsch en toch zoo teer. Zijn voelen voor het socialisme is geen physieke opwinding. Zijn voelen voor het alge-meene is maatloos, écht. Humor mist hij, ironie, sarcasme mist hij, maar zijn haat, de zwartgewalmde achterkant van zijn brandende menschenliefde, is zoo machtig en doorzwollen van levensmerg, als zijn strijd-hartstocht.— Zijn geestdrift is als het vonken-springen van een elec-trischen stroom. — Er is iets van steenrots in zijn harden, klaar-aanklinkenden geest. Hij spreekt van hooge muren af naar de menschen tóe. —
Toch is hij vaak een eenzame, ondanks zijn verheerlijkt socialisme. Want ook in deze worsteling om de gronding van een ideëele wereldbeschouwing, gaan zijn verbeeldingen en visioenen in draf een zonne-toekomst tegemoet. Als een hevige worp naar het komende, vèr