122
zullen het heldhaftige van Gorter bespreken en beschrijven met grooten eerbied en veel stilte in de stem van beheerschte ontroering.
Hij bepeutert geen opgeblazen faampjes van letterkundigen; hij kittelt niet met lofwoordjes en maakt geen strijkages voor kliekjes. Hij ontfutselt en schept geen roem van en voor anderen. Hij ziet op dat letterlievend gewroet neer met een verstilde minachting. De ideëele strijd om een wereldbeschouwing, dié heeft zijn zengende liefde. Wat is hem dat hoedje-vol letter- en kunst-menschen waard? Geen handomdraai. Hun lyrische brooddronkenheid heeft hij van nabij als een loos gerucht gekeurd. Het schennend geklap, gekakel, gepaai en oordeels-ge-zwendel, hij heeft het immer met een trotsch gebaar op een afstand gehouden. Ze betokkelen hun lier en ver-zwemmen in overgevoel. Hij kent dat zottelijke misbaar van ziel-speurders en sonnettisten. — En toch, hoe hartstochtelijk schoonheidsverrukte is hij gebleven. Hoe trilt hij nog onder het sidderend genot van de woordmuziek. Met welke fijne luistering hoort hij nog de bronnimphen zingen en murmelen. — Maar nu is hem een taptoe, een oproep tot krijg en discipline even lief als een schalmei. —
Laat ik vooral doen uitkomen dat lang niet alles wat