I20
krijg zou worden, een opstand van zijn gemoed, een martelen van zijn hartstochten, een dolen en strompelen van zijn versomberde gedachten. — Bij Spinoza, den sereen-koele, zocht hij stilling voor zijn öpgezwalpte ziel. Nu geen lentegeur meer van zwoele hyacinten. — Nu geen ingeduisterde roode rozen meer, als een omwalmde vlam uitschijnend. — Al het lokkende wèg, het zinnelijk-zondige wèg, het zengende licht en de purperstraling der roode zomerbloemen. Inkeering. — Van het kwelen afgewend. Maar kon deze hevige lever zich met de dorre abstractie de hongerende ziel voeden? Kon deze rebel in verstramde leerstellingen de schoonheidsbegeerte verdooven? Hoe zou hij den storm in zijn opstandige binnenste temperen met de monnikengedachten van den joodschen wijze? Zoo leven, in die kuische afzondering van ziel, was levend sterven. — Toen, na nieuwe pijn en droefnis, greep hij plots naar Marx, het groote socialisme. — Een geluks-duizeling. De openbaring trad nu op hem toe. In protsige zelfverheffing had hij zijn meerderheid als dichter gevoeld, nu voelde hij in beschamende zelf-critiek zijn minderheid als mensch. — Een nieuwe wereld stortte zich voor hem leeg. Nu kronkelden van allen kant de vlammen van een lente om hem heen. Er zou een algemeen-menschelijke schoonheid moog'lijk zijn. Hij moest buiten zijn ikheidsgrenzen gaan, om de ikheid juist te kunnen