vernufteling. Maar wijl hij zelf ontstelde van de dolle overgangen en het onbeheerschte gevoel waaraan hij zijn ziel verkwistte. Hij zag nu de facies van zijn woorden en hun gestalten. Strompelende kreupelen gelijk, verknot en afgehakt, kromgebogen en uit-'t־lid-gerekt, een stoet zieke kostgangers van de te vroeg verwelkte verbeelding. Met al zijn ״sensitivisme" voelde hij zich toch vereenzaamd. — Alles moest ook uit zijn eigen begrensde ikheid opbloeien. De natuur zocht hij, maar dat was zijn ziel zélf weer. De maatschappij zocht hij niet en ze bleef hem verborgen. Met geweldige instincten had hij zich als een lyrische wilde uitgeleefd; alleen de oude groote dichters had hij naast zich geduld. — Toen kwam een soort van verlossing; voor zijn ikheid een triomfe. —
Zijn onmiddellijk-zinnelijk ontroerings-gevoel was hem eerst alles geweest. Dat heete ontroeren van zinnen, dat mijmeren en zingen, dat dwalen en dolen van den zwerfgeest,.. . di.t te maken tot een realiteit in zijn vers, . . . hooger genot bestond er niet voor hem. Toch hongerde hij innerlijk. Er zweefde iets om hem heen dat hij niet grijpen kon. — Een felle onbevredigdheid knaagde hem wee. O, de diepe, brandende pijn van onvoldaan schoonheids-verlangen. Hij kermde van binnen, zijn mond trok bleek. Hij voelde dat het een bange