n8
listen en impressionisten aangevangen. Een verzieking van het woord. — Drang naar uitzegbaarheid van ön-uitzegbare dingen. Het woord werd klank-begeleiding; melodisch rijm, melodische alliteratie, melodische rhyth-miek. — Al wat klonk en trilde werd bijééngegaard voor vergeluiding van het innerlijk. De plotse slingeringen van maat en draf werden niet gevoeld als wanschapenheid; noch de uitzinnigste saamkoppelingen van allerlei botsende, zich zelf wurgende en verwringende woord-vormen en taai-buigingen. Kleur-beeld en klank-beeld vervloeiden saam. Alles werd klank-afkaatsing van vocaal en consonnant. Daartusschen een dooreenweem'ling van zins-gewaarwordingen. Iedere nuance, de allerfijnste van bewustworden en ontroeren, moest in woord-gestalte verzinnelijkt. Zoo ontstonden dingen van louter klank, louter gehoor-werkingen, dingen van louter lijn en beweging. Een dooreenschudding van de meest verschillende uitings-gebieden. — De weelde-geuren van zijn Mei-taal vervunsden. In een klein dichtje wou hij alles tegelijk zijn: schilder, melodieus, stemmings-voeler, teekenaar, dichter, plasticus. Zulk saamgedrongen gedoe moest buigen of barsten. — Tegen deze impressionistische verwildering groeide dra de bezinning in. Dat was toch geen bevrediging voor den classicus en hellen ziener. Hij wijzigde zijn koers. Niet uit benauwing voor brullenden spot of verfijnde bepluizing van een gespitst