al dadelijk het sterkst in ieder kunstenaar verwortelde deel zijner Ik-ijdelheid: roem en zekere zinnelijk-aesthe-tische genot- en gemakzuchtigheid. — Midden op den weg van persoons-vermaardheid en verlustiging in eigen kunnen, stond hij pal... Een ontzag'lijk moment. Achter en om zich heen keek hij naar de schoon-getooide kind'ren zijner eigene ziel, naar de bebloemde kinderen zijner verbeelding. Zonder traan en zonder zichtbaren zelf- weemoed in de stille, ontdane oogen, — oógen die mee-doogenloos hadden gekeurd, — offerde hij hun bloeiende, geurige leventjes, hun lach en droefnis, aan de strenge waarheid van zijn nieuw, voor hem hóóger bewustworden: dat hij geen groot en zuiver kunstenaar kon blijven als hij ook niet een groot en zuiver-levend mènsch werd, niet alleen eigen ontroeringen en persoons-schoonheid zoekend, maar ingaand met heel zijn wezen op tijd en getij, op menschheid waaronder, maatschappij waarin hij leefde.
Een duizelig-makende ontdekking voor dezen natuur-omzwervenden fantast en visioenair. — Want wonderlijk zoozeer deze rede-analyst, de visioenaire begaving be־erfd had; zoozeer zijn objects-verbeeldingen een geheel hei-densche natuur-mystiek schiepen. —
In zijn groot gedicht ״Mei" was het goud van zijn lyriek uitgestroomd als een lente-lichtval van den laat-