ii3
hemel; en onder zijn voeten gouden damp van de aarde. En toch was er in zijn ontroering en zijn natuurmystiek al dadelijk een heel persoonlijke heroiëk, heidensch van oorsprong. De herders-zang zoette door zijn taal, maar ook een faunige wulpschheid van zinlijk coloriet. Hij onderging de bedwelmingen van de natuur als een modern mensch, zoo reëel als het reëelste. En toch stegen de vervoeringen óp tot visioenen, soms alleen in kleur, soms alleen in klank. Hij brak met vorm-traditie en toch bleef hij classicus in diepste wezen. — Het koken en broeien van den zomer, de zang der winden en de malakiet-glanzing der bosschen, daar leefde hij in. — Toch was zijn zinnelijkheid vreemd aan de zwoelte der romantiek en de troebele perversie der middeneeuwsche mystiek. — Heidensch was en bleef hij, ook in zijn schoonheids-sensualisme. Zijn natuur-mystiek bleekte niet onder de wierookgeuren der katholieke vervoering. Gorter en Van Deyssel, in schijn zooveel taal-sensitivisme saam doorlevend . . . hoe ontzaglijk zou het oorsprongs-verschil van hun wezen blijken, uit de toekomst waar beiden heen-trokken. — In Van Deyssel degrego-riaansche melodiek van woord en paraphrase, een choraal-klank meeslepend, in Gorter een soort van onbewuste koor-lyriek en het unisono der heidensche cultuurvolkeren. —
In Van Deyssel een vergeestelijking van het woord
8