112
de zoute geuren der zee-, hij voedde zijn rusteloozen schoonheids-honger met zoeten hooirook van de varsche landouwen, en nimmer stilde hij zijn zinnen. — De natuur bleef zijn verkoorne en het goud der zonne-dagen, en tóch knaagde er droefnis in hem. —
Zijn woord bleef vol stormgerucht en dan plots zoo goddelijk eenvoudig als de taal van een zieners-kind. Maar meestal toch van een overvolle, rumoerige plastiek, die in plaats van den luisterenden geest te verzadigen, hem in onrust stootte en liet verdolen in niet-doortastbare duisterheden. — Een woeste worp van woorden, een verwilderde alliteratie, een Van Goch-achtige verhitting van het aanvoelings-vermogen, een omduizeling van allerlei ontroeringen dooréén. Zijn woord hijgde en verbrokkelde broos. Het moest kleur, muziek, galm, echo, beeld, gedachte en atmospheer zijn. Taai-instrumentalisme zonder bedwang, de lyrische roes van een natuur-beschonkene die de cosmische pracht der dingen niet meer dragen kan; door die overweldiging tot kreupele geslagen, zijn gang als man en ziener voelt wankelen. — Natuurverrukkingen deden zijn ziel bezwijmen en. zijn zinnen in nevelen stoeien met alles om hem heen. Hij zag niets meer dan boomgaarden vol goud, vol gloeiende en matte en tintelende gouden vruchten, en boven zijn oogen stroomend goud van den