dichterleven. — Nuancen van ontroering die vervloeien moeten in de stilte van het voelen, wou hij zeggen, uiten, gestalte geven, rhythmische en plastische gestalte. Wie hoort niet nog den woord-roes in:
En de bestraalde ochtendzee
de zee, de zee, de stormt zeeig, siszee grijnszee,
stormschuim, huilschuim, bruischzee,
heetzèe, keelzée, hoogzée,
in de ronde, verronde horizonnen, enz.
Wie waagt er bij zulke stotter-lyriek nog na-bloeiers van dit klankzieke taal-impressionisme, in schijnheiligen toorn uit te maken voor woord-tuimelende wildebrassen, tachtigers-nepotisten en lawaai-schoppers ?
Zoo was Gorter, in zülke vorm-verwringingen: impressionist, óm-en óvergieter van het bontgeverfde woord, gespleten en weer bijeengeperst in ieder zijner syllabeklanken —
Dat was Gorter, hunkerend naar een vrij rhythme, een bandelooze metriek; een opstandige natuur-mysticus, met zijn heele genietende Ikheid en zijn zinnelijke wezen, verzwolgen in de aarde-dampen, de grondgeuren, de luchten die de zomermiddag-uren heet verbrandden; — niet te bevredigen in zijn heimwee naar de verre dingen onder den wijden hemelkring en onder de zilvering der lucht-daken. Hij voedde maat'loos zijn dorstige ziel met