HERMAN GORTER.
Gelijk Van Deyssel, een mengeling van soms felle baldadigheid en geestelijke verplechtiging, zoo déze dichter, een mengeling van koud rationalisme en ziedende natuur-mystiek. Hoeveel zangers zijn ten slotte niets meer dan strottenhoofd-illusionisten, die met wezenlijken zang niets uitstaande hebben. — Gorter, al dadelijk, was een écht zanger met een hoog-jubelend, fluit-vol stemgeluid. — Een gouden klank trilde in zijn stem. — Zijn poëzie was zonder ornament, brandend van leven door zijn dichter-instincten uitgestooten. — Als zilverblauw water onder licht-zonnigen daghemel, zoo klaar vloeiden zijn rijmen en zoo helder scheen zijn ziel door zijn woorden héén. — Heidensch is altijd zijn levensvisie geweest. Hij zong op de dubbelfluit als een Grieksche zwerver, onder de blauwe avondluchten, dingen van weemoed en liefdejubel dooreen. — Hij kende het zware ademen in de roode walmigheid der fabrieks-steden niet. Hij had altijd geleefd tusschen de horizonten van Attica en Rome, het oude Attica en het oude Rome. — Daar, in de zoele nachten zong de Lyra, de Aulos. Homeros in zijn oer-krachtige epiek en Aeschylos in de tragiek, die waren zijn weg-bereiders