444
met haar wrattentong daar niet Bromtol over den hekel?״. Dat zoo een duivelsbroed in Alkmaar of Doetichem terecht most komme? En wat zeiden ze nou weer van Frans' asyltje? En over Corry, Corry? ... Zeedijk ... Moeder Pas ... Kollekie . . . nummertje vijf? ... God, god nog toe, dat zij dat noii moest beleven, die laagheid! Nel vrat zich op van binnen van de zenuwen. Blindgegooid worden met peper was niet zoo erg, als die lasterende schande.
Haar zoet-gevoed kindje lei nu weer vuistvast te slapen midden in het geraas op het groote bed in den hoek. Het was toch warempel weer een dot. Ieder keer als Nel er een moest krijgen, zag zij er geweldig tegen op. Doch had zij het eenmaal, dan wou zij het voor niets ter wereld meer missen. Wat zou de goede God haar daar nou weer mee te doen geven? Enfin, dat was wel het laatste wicht dat zij op haar leeftijd nog krijgen kon.
Plots gierde een zwaar lawaai bij de straatstoep óp. Een klusje kinderen drong door de glazen tusschendeur de achterkamer in. Bleeke Annetje wrong zich langs de bezoekers heen naar Nel. Zij kreeg een roze-zoet schuimpje en een geel likje advocaat.
— Soo ... nou krijg jij teminste van 'n kale gulde werom ... lachte moeder Scheendert.
Haar Sientje, een rank meisje van veertien, sprong vlak achter Annetje aan. Doch een hel hoera'tje jubelde er, toen Barendje en Leendertje, die tegelijk met Nel jarig waren, uit het kinderkluwen naar voren sprongen. Neel Burk nam haar Jor-daansche lijsters dadelijk onder bescherming, en stopte ze van dit en van dat de gulzige mondjes vol. Leendert en Barendje waren de lievelingen gebleven van Nel. Neel Burk verwachtte ieder oogenblik, dat Daantje zou inhollen om tante te felicitee-ren. En ook haar Willem zou vast present zijn, omdat die veel omging met dien raren kaketoe van een Jan, Nel's oudste.
De gramophoon schetterde en gromde weer in de voorkamer en al meer fleschjes rood, gemberbier en spuit kwamen uitgeschonken of leeggeslurpt, onder de tafel en den schoorsteen bijeen te staan.