455
— Spijker die engelijn se lippe fast!
— Die steikt 'r hemel en aarde in brand!
Onder het opschuimend lawaai vertelde Kaatje Petoet met ontzette, schelgroene oogen, heel dicht naar haar buurvrouw overgebogen, van het hartzeer dat haar zuiplap haar gaf. Gisterd nog, sloeg hij een bord bruine boonen met uitgebakken spek, die hij met peper, mosterd en zout door mekander roerde, stuk op d'r test, omdat ze voor die ״menark" geen gebrand uitje erbij had gedaan. Die slijmert! 's Nachts zelfs sprong hij zijn bed uit om te jajeme. Dan vloekte hij al zijn kinderen, ranselde ze aan reepen en verscheurde de klier al haarlie kleeren die hij te pakken kon krijgen.
— Wat 'n beket!... schold buurvrouw met gluiperige oogjes en valsch-lachje-van-deernis.
En dan inéén seit-ie, dat-ie aldegaar muise siet kruipe uit 't behangsel. En als hij dan goed en wel te stuiptrekke leit... dan begint-ie inéén halleluja's te singe fan 't Heilsleger...
— Mit 'n stem mins ... mit 'n stem ... om fan te ijse!
— Gut skepsel... ik sitter kepleet te beife.
Naatje, feestgeurig als een truffeltje, met een angst-dwang-lachje naar Nel toe, bezwoor haar effetief de waarheid van het geval. Willem Poppetje met een nieuw glas in de hand, wou weer toasten.
— Wie ken de mins ... zette hij half-zingend in.
— Muil dicht!... of ik sa-je effe lefend uitboene!... viel Scheele Mie, de aalvrouw, schaterend bij.
— Mit al se slechtigheid deurgronde? ... sleepte Willem er nog haastig toe, terwijl zijn oogen dweperig de okergele balken bestaarden.
— Wees f'rsichtig,... bespotte Hein den Dool,... Poppetje ... de bluffert maakt ons aldegaar koud mit de enkele steel van se perreplu!
— 'n Tweide Mesistes!... hoonde Naatje, de uitpluister.
Hannes Kliekie's vrouw met de afgeschoren wenkbrauwen,
schertste giftig:
Mesistes: Maciste (een filmreus). — Beket: bouquet,