' 436
kinderen van Scheele Doris. Nel loerde op het bleekige laster-gedrocht, dat alles schraperig zat uit-te-koekeloeren: wat er stond op het sombere plaatsje en wat er stond in de duisterende achterkamer en het keukentje.
De lijsten-ophalers hadden zelf alles in d'r eigen zak gestoken, vertelde Na er heesch-fluisterend bij.
Toen uitgemergelde Dien met een taartjesbak voorbijging, haakte Na gauw haar smalle, smoezelige vingers in een roomhoorn en lasterde weer gulzig verder. Nü weer over haar schoondochter, die schoonmaakster was op een ״merakels-rijk ketoor", waar zij al zeventien jaar over den vloer kwam en ... nog nooit nie een spog drinke had gekrege.
— Enne ... enne ... de musekante spele d'r 's aves an tafel... mit witte hanschoene ... se lijke wel terrememeters, soo ginge se óp en neer!... En alles kristal en sillefer ... alles ... gouwe rege ... wa je anpak ...
— 'n Grandig ieseltje,... gichelde Willem, onder arglistige knipoogjes naar Neel Burk en Nel, Trui Hompie en Pietje Praatgraag ... hoef je je eige auk nie mal te peese!
Naatje wou al meer haar hoorders overbluffen. Met wilden trots in de oogen, verklaarde zij dat die kerels wel vijfentwintig pieken per uur verdienden, en dat zij zoo maar de broodjes met ham en met kaas in derlui achterzakken lieten glijden en al wat de pot opschepte! Maar haar schoonzuster kreeg in Zeventien jaar geen spog water te drinken, zanikte zij valsch-goedhartig. Ook Gees, de kruideniersvrouw van de Lindegracht, klaagde steen en been over haar kinderen. De éen zat met pokken, de andere met jeukziekte, een derde met kaakver-zwering. Zij lieten haar 's nachts geen oog toedoen, die krijt-jammeraars, dat stel kranke grom.
— Mó je nie mokkele ... maar d'r óp ransele,... hitste dolzinnig Sanne van Jan de Gans.
Verdrietig en druilerig vertelde Gees voort van haar leed en dat zij de laatste jaren nooit meer tierig was. Twaalf maanden her had zij nog sükke sware borste.... had
Orandig ieseltje: prachtig huis. — Peesen: zwoegen. — Pieken: guldens. Urom: kinderen.