435
lintjes voor het kind meegebracht en meende zich daarmee het recht te hebben gekocht, zooveel schuimpjes en koekjes te bikken als zij maar door haar zwaren krop kon duwen.
— Dan mot je ... raadde de vischstalletjes-vrouw Kris Mossel, aan den overkant van Nel, met een heel geheimzinnig grimas,... dan mot j'm sóó fan je toone afknijpe ...
— Och mins,... weerde ontsteld de wederhelft van Bram Schar af, wier likdoorn het verhaal gold.
— En a-je 't nie uithouwe ken ... neemp je subbelemaat-water om te pappe ... mit lijnmeel en 'n uitje d'r in ...
— Da hep ikke gedaan... maar da trekt soo ofgedufels!
— Hindert gaar nie ... gaui d'r dan 'n lepel olie aufer.
— Pers j'm leig,... raadde de spitskinnige Trui van den aardappelenkelder uit de Tweede dwarsstraat.
— En dan maar weer 'n pap rauw baufe op!... schreeuwde Kris Mossel, die zich de eer van geneeswijze en geneesmiddel niet bot door Trui's inmengend en verwarrend woord wilde laten ontfutselen.
— Ik geif 'n moppie op de grammephoon ... viel Hein den Dool plots uit,... ter eire van de jonge kraamfrouw en de jarege bigge!
— Honderd turrefe en 'n bon van 't arremehuis, meliefe onderpand,... a-je waurd houdt,... viel lachend Janus Nat's vrouw uit het hoekkroegje bij, en Mie-van-'t-Aapie gierde mee met klanken van een verstopte trombone.
Hein den Dool, die er uitzag als een vervuilde satyr, met klonten boommos op het wilde gelaat, sprong óp, rende door de glazen tusschendeur naar de voorkamer, met een dreigend geweld van gebaren en twistzieke stem. Zijn grasgroene jekker lichtte óp in het vertrek, terwijl hij den slinger van het instrument zoo woestsnel opwond, dat de kwikglanzige vaasjes op het linnenkastje ervan begonnen te bibberen.
Zweterige Naatje van den blikslager vertelde Appelen-Bet met een gesmoord-giftig kwaadspreeksters-geluid, van de lijsten waar ze mee waren rondgegaan, voor de ״tuberkeleuse"