430
Want dol was en bleef zij op al haar kinderen. Toch, zij begreep nog steeds niets van de mooie deern. Vijfjaren na het schandaal, dat haar als moeder, van binnen had geknakt en haar oogen nog dieper in haar hoofd had uitgehold, maar waar zij met al haar uitflapperij, gaar geen woord meer van over de lippen bracht, dorst niemand in de familie het gebeurde meer aan te roeren. Alleen Bromtol wel, in een felle scheidbui tegen zijn trotsche zus.
Het was ongeloofelijk, zoo goed als Corry zich hield. De meid bleef nooit meer een avond weg. Zeedijk, Jordaan, Nes ... ze bestonden niet meer voor haar. Snoeperijen en opschik? ... Ach, niks bizonders meer. Ze behielp zich in dit enge krot allerhachelijkst met slapen in de voorkamer, vlak onder het raam, en zij gaf niettemin prompt en ruim haar kostgeld. Al het aanhitsende en het tartende-in-overmoed van vroeger, leek in haar verzonken. En toch leefde zij temidden van het gezin, dood-onverschillig, als een vreemde en liet zij nooit iets van haar gekrenkte binnenste los. Voor Nel bleef haar koele, trotsche dochter ondoorgrondbaar.
Doch wat gaf al dat vooze tobben in bed, dagen lang, over haar kroost? Zij moest maar lieverst wat breien of een stukje lezen. Het bierhuis hield toch zijn klanten! Maar zij ergerde zich innerlijk té heftig aan alles. Het liep weer borrelend vol in Nel. Vooral die hebzuchtige slobber-vroedvrouw was haar geen moment uit de koortsige, kittel-zieke gedachten. Telkens nam zij zich voor, die vreemde monark nooit meer bij een verlossing te nemen. Maar jawel, toen zij ook den laatsten keer tegen de zeven maanden liep, zat Nel eêr zij het zelf besefte, weer op de gele biezen stoeltjes van het doopsgezinde mensch haar keurige voorkamer, twee-hoog op den Haarlemmerdijk; zat zij weer te wachten, en te kijken naar het draaierige gewoel van de rumoerige straat, pal onder de oogen. En met een gek-verlegen stem vroeg zij, warendig in alle nederigheid nog, of de juffrouw haar helpen wou. Dat schepsel trok toen éven viezig en heimelijk haar neus op, dat guldeswijf, en met grootschig-heid in haar nek zei ze nog heel norsch: