428
Frans schrok.
— Nou ... da weet je ommers ... da ik twee tjoekels apart gehak geif...
— Wa 'n wins-slikkers, die kraaikoppe,... spotte Nel.
— En ... en nog vijf kan mellek extera.
— Hoepel maar óp mit je flooietejater! Vergeet de meel-wurreme nie te late hale feur ouwe Hein van de Lindegracht... hei je belaufd feur se lijsters... en mö je Einpoot miteen de appies late anbrenge bij Jan de Lange ... en let op Dirrekie se gifpens ...
— U mag u eige nie soo opwinde ... juffrouw Scheendert, ... zei veel stroever en strenger de vroedvrouw, nu zij haar centen in haar zak voelde broeien.
— Raad is goud waard ... juffrouw Vrede ... feral a-je pesioen hep as geweise keloniaal! Maar... u mot mijn per-sauntje maar ekskeseire ... want freite ka je boeseroentje d'r nie van!
Grimmig hakte Nel naar de vroedvrouw, die zij niet kon luchten om haar inhaligheid.
Juffrouw Vrede was opgestaan, smonselde nog wat na van eigen-schuld-plaagt-'n mensch-'t meest en dribbelde gekrenkt-statig achter Frans de deur uit. Zij had de kraamvrouw nog geen lepeltje ״sjekela" gebracht. Dat liet zij aan de buren over. Het was voor de tuchteloos-goedhartige Nel om te springen van woede.
III.
Juffrouw Stampvol.
Nel had er nu weer een kind bijgekregen, een wolk van een jongen. Dat speelde die schuwe sloome duikelaar Frans Leerlap toch maar klaar, al hinkte hij soms gelijk een zot op zijn gebroken poot en trok hij een onnoozel bakkes, alsof hij geen