427
Weer brak Nel grimmig af:
— Hier ... nei... daar, biertjestapper ... op de schaur-stein,... nei... achter 't vaasie. F'rdomme-nog-toe, suffert... hier, achter 't fergulde klokkie.
— Sit-sitter ... sit... hei-je de kien?
— Nié an je knar, maar an me ring,... stootte Nel ongeduldig er uit.
Frans had den sleutelbos te pakken. Hij morrelde weer wat verlegen en zacht, en voelde zich breinloos worden onder Nel's drift.
— De kleinste is jou ... huilebalk.
Frans kuchte van verlegenheid en een pijnschok schoot door zijn rheumatisch been.
— Betaal mit ofgepaste munt... je hoef 'r je schanslooper nie feur an te trekke... D'r legge nog net acht knaakies.
De vroedvrouw schoof 41 breeder uit, op haar gemak.
— 'n Riks heit de juffrouw al gehad ... handpoen,... lichtte Nel weer in,... da weet je.
Doodschuw sloop Frans langs Nel's bed naar de goeie kamer. Voorzichtig klom hij op een trijpen stoel, om uit de bovenste lade van de linnenkast het geld op te grabbelen, en éven dood-omzichtig kwam Frans weer binnen en telde hij op de tafel de som voor vroedvrouw's gulzige oogen uit. Met een vettig lachje streek zij haar duiten op. Juffrouw Vrede bedankte en grinnikend vertelde zij, dat zij wel tot den negenden dag had kunnen wachten... maar dan hep se juist een impertante verlossing in Haarlem en mot se nog twee kindere angeve. Maar sij sou toch nog komme kijke ...
— Ikke mot... ikke mot... dadelijk weg,... stotterde Frans zachtkens.
— Jij mot wa-je-mot, klepperman ... neturelek ... je bee-sies wachte,... viel Nel ruziërig uit... Leg de sleutels maar weer neer achter 't klokkie.
— Ikke ... ikke heb nog 'n knaak feur extera voer ...
— Wa?... wéér voer?... En femorrege hei je pas genuttigd!
Kien: sleutel.