426
tusschendeur van de voorkamer, waar de gramophoon en de roodtrijpen stoelen stonden en een mahoniehouten linnenkastje pronkte, met kwikkleurige vaasjes erop. Nel's bed lei net tegen het bruinhouten beschot van den half-behangen wand. Zelfs bij felle zon bleef in d'achterkamer en in het keukentje nog altijd kelderig-onderschept licht-in-duisternis zweven. In het miezerige keukentje kronkelde een steil wenteltrapje naar een soort van vlierinkje, waar de kleineren sliepen. Het was Nel een eeuwige walg, dit bijeengepakt slapen op een hok, van al haar kleine grommetjes. Zij vond haar eigen nest veel hachelijker asyl dan de toevlucht hiernaast, voor de beesten. Moeder Nel ergerde zich dood in haar bed, op al wat zij Zag gebeuren aan ongerechtigheden. Zij haatte den rioolstank, het gotenvuil en de smerigheid van eigen honk, van de dwarsstraat en van de luidruchtige geburen.
Toen Frans Leerlap binnenkwam, ingehouden-gejaagd <^oor de goede kamer naar het huisvertrek stapte en de glazen deur wat hard openrukte, stompte hem ruw een snauw van Nel uit het bed, omver. Met wonderlijk-krachtig geluid, ondanks haar vijfdaagsch kraambed, schimpte zij:
— Slijmerd .. hou je sjakies! Je hangt hier nie aufer de Oran-jebrug!
Frans, al bedremmelder, keek schichtig van Nel naar de zwaarlijvige vroedvrouw, die aan de rondachtige tafel vlak bij het ééne raam, naast de borrelende koffiekan breeduit op haar gemak te wachten zat.
— 'n Effetief fijne jonge, juffrouw,... lijmde haar logge stem naar Nel.
Zij zou haar geld ontvangen vanmiddag. Daarom voelde zij zich verplicht, iets vriendelijks te moeten zeggen.
— U mag van geluk spreke ...
Doch Nel in haar bed, sneed den zin van de breedsprakige vroedvrouw af onder een norsch bevel naar Frans: het mensch onmiddellijk te betalen.
— Waar binne, ... stotterde hij.
Sjakies: kalm