425
's Middags na schooltijd stormde Bromtolletje, zwartge-truid, de blonde haren wild overeind geharkt, het hol binnen, trapte den dazenden, eeuwigen blaf-buldog op zijn pooten en stopte heel achteraan de konijnenhokjes tegen de muren in het donker, vol met groen en struiken.
— Einpoot... waar is fader?
Uit het duister van de kelderdiepte lichtte de paars-ge-zwollen dronken kop van Jaap woest óp. Zijn witte haren en knevel glinsterden als krullig zilver in de dolende schaduwen van het asyl.
— In se fel... suure aal! Ikke hep sijn niet ofgelege!
— Krijg de kouwe see-angst, natte vuurpijl!... vloekte Bromtol. En hij dreigde erbij, dat zoo Eénpoot jonger was, hij effetjes zijn pijtje zou uitgooien en kleum ronddeelen... Maar soo'n fent van 't dooiefons was niks an gelege ... soo'n holle kies! Nogal 'n lekkere blauwkop met s'n Westermoordhol en s'n peuterende handstomp!
— Vuile skouw!... ga liefers schifte!... schold hij wild.
Toen holde hij naar Frans' vogelhuis, boven.
— Fader ... fader!... schreeuwde Bromtol nerveus,,.. effetjes thuiskomme ... schiet je kloffie an!
— Ikke? ... vroeg Frans, bang-verbaasd.
— Nei ikke,... spotte Dirkje ... Moeder set spoed op ... je gaant ferschut. Teméé wil se je harreke!
Schuw en verlegen stapte Frans het stoep-klappertje uit, zijn vogelhuisje dat hem zoo lief was en waar hij wel dag en nacht, Zonder veel te denken en zonder te spreken, wou rondscharrelen.
Nel lag stil-verdrietig de gele balken te bestaren van de somber-donkere achterkamer in de woning naast het asyl. Een klein, scheefgezakt raam keek uit op het door hooge muren geheel ingesloten achterplaatsje dat volgestapeld lei met groenbeschilderde bakken en riekende kisten. Nel keek zoo van bed uit het keukentje in, dat nóg duisterder druilde dan het huisvertrek. Achter Nel's hoofd glimmerde de halfglazen
Afgelegen: bespionneerd — Skouw: Squaw (vrouw uit de Indianenboeken van Aimarii) — Schiften: gevangenistijd uitzitten — Kloffie •Jasje — Verschut: betrapt.