424
— Maar d'r grommetjes dwijlt se rond as 'n ouwe visch-snoer,... schimpte Peultje.
Op zijn roode pantoffels wiebelde Hannes-de-koperdraaier voor zijn winkel, en hij deed niets anders dan kruiselings zijn begruisde handen aan zijn schouders afvegen.
De dame met haar gestamboomden hond, raakte verbouwereerd van al het tartende straatgeraas en rauwe menschentumult. Zij stapte aarzelend, bijna bevreesd het stoepje af en keek met verbazing naar de koel-zwemmende vischjes en de vogeltjes, vlak voor Frans' winkelruit te pronk gesteld.
Een groene papegaai op het toonbankje, gilde en zong, en de gekortwiekte grijsroodstaart vlak bij het gek-smalle deurtje, buiten zijn kooi, kreet hartverscheurend en keef ruw mee met de Goudsbloemdwarsstraters.
Uit het asyl walmde een bedorven versche-waar-lucht op. Haar neus dichtknijpend, stotterde de dame iets van: wel morgen terug te zullen komen. Frans vond het best. De strui-sche buurtwijven die in de zon te rijpen stonden, schaterden om de malle kwibussen van wiegelende papegaaien op en achter Frans' toonbankje, en de papegaaien lachten weer schel om de kwetterende wijven op de geblakerde keien. Griet Peultje's man wou een schunnig schertsje uitgrinniken over het tierelend geminnekoos van de vogels, naar de jonge deern van Hannes. Maar met een hevig-dreigenden oogwenk gebood het menschelijk gebergte Griet, hem te zwijgen. Griet Peultje had haar gedweeën lobbes er heelemaal onder. Hij kreeg op zijn legkaart zooveel hij lustte. Doch was hij dronken en had hij zijn opengooiertje gestolen, dan plots veranderde de sul in een giftigen, reuzensterken duivel; kreeg zij op haar ״behangsel" zooveel zij niét lustte en werd Griet doodsbenauwd voor zijn dollemanskracht.
— Wacht, nou sa je 't hebbe,... 'n kwertet-mit-se-fiere! .... hoonde Griet Peultje naar haar lobbes, die verlegen weg-drentelde en kuchte.
— Piep 'm nou gauw!... zong ze nog na met uitgerekte stem.
Opengooiertje: een dubbeltje waarmee men de deur kan „opengooien" van een kroeg.