423
bedeesde stem smoorde onder het geratel van een paar zware vrachtauto's, die van de Lindegracht met te korten zwaai de Goudsbloemdwarsstraat indaverden. Trui Rikketik met de gloedzwarte, vetgeplakte lokken dicht langs de ooren, gilde naar de woning van Leerlap, naar Jans Biet, tweehoog boven Scheendert, over het verzwakkende wielengedonder heen:
— Mins ... je grommetje leit in de gaut!
In dollen schrik kreet Jans Biet terug:
— Néi tug?
— Bij Klaas Kleuter, feur 't wijnhuis in de Willembeis ...
— Je slaant je ratelklap f'rkeirt mins,... riep Griet Peultje uit den aardappelenkelder ertusschen ... hij hangt al bij Hein Dril te drauge!
Griet Peultje, in haar blauw-rood-gestreepten onderrok, woog tweehonderd-twintig pond. Zij stond met haar kwabhanden en vettig-omgebogen polsen op haar heupen, louter te zweeten. Zij wist alles beter dan ieder ander in denjordaan. Haar lichaamszwaarte gaf haar verpletterend gezag. Kedin vond ze het, dat ze die schuimerige Zeedijk-zwerfster en halve waschpit kon weerspreken.
— Da merakel kijkt nooit-nie na d'r toddikke om,... schimpte een ontstelde moeder nog achterna.
Allerlei koppen uit bovenverdiepingen stemden in, met gillen, uithalen, kijfkreten en stemscheurende uitroepen.
— De Heire is haar Herder ... haar sel niks ontbreike,... spotte Hannes-de-koperdraaier naast Griet Peultje, die de vrome, schijnheilige doerak boven Frans Leerlap niet luchten kon.
— Se is goéd-roomsch... viel Griet hekelend uit, hijgerig van het schreeuwen.
— Enne ... soo rap as 'n haselmuisie ...
— Ay !,.. se leift op braud mit sout,... hoonde een kelderhuur.
— De heilige Antaunius!... gierde Rikketik wreed,... of de toffe fan twei hoog faur!