432
gegeneerd voor den stank en de herrie in het hol.
Hij ontving nooit graag beneden. Boven, tusschen de kooitjes, de aquariums, de visschen en vogels, was het veel geklofter.
De dame legde Frans den stamboom van haar hond voor, dien zij kwijt wou. Snel zag hij naar kennel, ras, geslacht, kleur, geboorte ... en vroeg prijs. Als zij de helft vroeg, zou hij wel bieden.
De dame uit den deftigen stand, schudde gebluft haar hoofd.
— De helft?
Haar stem rekte van verbazing.
— De helft,... zei bedeesd Leerlap.
— En dan nog pas biéden?
— Dan nog pas bieden,... vulde gelaten Frans aan.
— Gut, gut,... stotterde volksachtig de deftige dame.
— Ufes bint hier bij 'n klein kaupmannetje, mefrou.
— Nu ja ...
— Juust.
— Bij Frans in de dwarsstraat immers?
— D3 weet u temeê.
Een getijgerde duif, achter uit een til, vloog plots onder klepperend vlerkengedruisch Leerlap's hoofd op en keek met guitig-verbaasde oogjes de deftige klant aan.
— Allemensche!
Zij schrok angstig terug en Frans lachte fijntjes.
— Ufes bint toch nie bang feur 'n duifie, mefrou? Ufes siet... 't is 'n roodgeschimmelde. Hij hep nog nooit-nie kwaad gedaan.
Zachtjes floot Frans en het diertje fladderde parmantig zijn hand op en keek zijlings met de kraalronde karmijnen oogjes, Frans pal in het gezicht, terwijl hij zijn halsje rekte en telkens weer introk. Zoodra Scheendert bemerkte dat de deftige dame in de mooie kleeren toch niet erg op haar gemak was, greep hij het veld-duiveke bij den gespikkelden mantel en bracht het naar achter, terug naar het donkere slag. Toen zei mevrouw iets verontschuldigends. Maar haar
Oeklofler: mooier.