420
zelf opgeverfde klappertje. Tegen de muren opgestapeld, overvol, stonden de kooitjes, rotsjes, en aquariumpjes. De Zaadbakken hield hij zeer rein, en zoo mogelijk al zijn gereedschappen en blinkend-gepoetste metalen maten. Vroeger had Frans ook zijn vischjes in het kelderhol geborgen, en een deel van zijn vogels thuis, op het plaatsje. Maar om een haverklap hadden uitgehongerde zwerfkatten, vogels of visschen opgegeten. Toen juist was het honk voor en achter hem verhuurd. En daar had hij nou zijn heele Arke bijeen: duiven, papegaaien, vreemde en inlandsche vogels; zelfs héél vreemde, die hij bij geen grossier kon krijgen en die zeegezellen uit de buurt, op de wilde vaart voor hem meebrachten tegen een ongeprikt prijsje.
Op het benedenhol scholden zij allemaal thuis, behalve Bromtolletje. Want ook dat manneke was in zijn element in het asyl. Die werd vast majoor van de ratelwacht, als hij zoo voortslofte!
— Ik seg maar bij me eige ... zei Frans.
Maar hij zei niets. Wonderlijk vond Frans het, zooals Dirkje tegelijk wreed en met verknuffelende liefde, de dieren behandelde. Hij castreerde behendiger dan de oude Eenpoot. Floep, daar ging de kat in den zak-met-het-gat, waar zwiep, de staart doorheengetrokken werd. En dan met één ruk zijn achterste op... o griezelig... In een ommezientje was het beest geholpen. Frans beefde er inwendig van, zoo sekuur als die jongen dat lapte. — Corry meed zijn asyl als een pest, dat wist Frans.
Maar hij verdiende kedin zijn bikkement en hij leek buitenshuis al zijn bedeesdheid en schuchtere aarzeling kwijt.
Zelfs Nel stond soms verstomd-in-eerbied haar Leerlap, haar trekschuit van Overschie te bekijken. Hij ploeterde dat zijn knar ervan rookte en of het den eersten meubeltjes-koop voor een groene bruiloft gold.
Er waren dagen dat het wemelde van klanten en klantjes in Frans' asyl. Bracht spek op tafel. Hij moest er hanig bij zijn, want een mensch mocht geen rente op zijn enkele gezond-
Kedin: goed.