419
een paar maffies versche mot uit den timmermanswinkel van het Fransche Pad. Van de hokken walmde zoetzure stank. Eigenlijk toefde Frans het liefst op zijn eerste zonhelle étage bij zijn zangvogels. Beneden, in de schaduw-donkere diepte van den kelder die onder het geheele huis doorliep, was het geroezemoes en de riolig-benauwde lucht zoo erg, dat hij er dikwijls van duizelde. Beneden doorschoot ook rheuma-tiek zijn gebroken poot, en bij weersverandering kreunde Frans van ingesmoorde pijn. Toch moest hij al de hokken van de konijnen, de marmotjes, de katten, de kippen, de eendkuikentjes, zélf controleeren.
Twee gecoupeerde pinchers zaten weer verminkt en pijn-krimpend te jammeren en te koortsbeven in hun grimmig-duister gevang. Afschuw rilde door Frans' merg... Een-poot had de ooren al opgenaaid, terwijl met tragische dronke-mans-stem hij uitbalkte:
Waar is, au mins, ufs sieraad, Waar is, au mins, ufs kraun! Er moesten over eenige dagen vier honden bevallen; bezittingen van twee rijke klanten, die den boel niet in huis wilden hebben... aan ״gunne" kant van de Brouwersgracht. Tegelijk met zijn terriertje en leeuwtje. Tusschen het huilen, janken en blaffen, beredderde Frans alderlei. Hier suste hij het gevecht van een valsch-schuwen Duitschen herder met een Setter. Daar gooide hij lieve, toegetelde koesterwoordjes naar zijn marmotjes, en telkens in speelsche vluchtigheid, mikte hij voer en versnaperingetjes achter tralies, kisten en kooien. En streng keurde hij bakken met wriemelende wormen. Toen ging hij naar zijn eigenlijke mooiere zaak, naar zijn vogels en vischjes boven, waar hij wel honderd jaar en een dag hoopte te leven. Eenpoot wrokte, grommend in het beneden-donker, weer iets van het Westermoordhol. Frans mompelde:
— Alweer in se laatste kwartier... die ouwe sleê sag d'r soo blauw as 'n long. Scheendert genoot van zijn prachtwinkeltje, het door hem