418
Jan Gouwenaar schold hem altijd hoonend: Sambal dengdeng... 't klonk sooveul as meleis ... En wat het beteekende wist Frans gaar nie, maar raak was het... dat voelde hij.
Tusschen school en 's middags hielp Jaapje van elf; maar die wou Frans nooit een boodschap met een praatje meegeven. Want zijn prevelement zat vastgehurkt op de tong. Dat duskentje stotterde als een schuw kauwtje. En Sientje van veertien bleef een onwillig lel. Alleen Leendertje: dié deed zijn best. Er waren altijd beesten te halen en beesten weg te bren -gen. En er was altijd te reinigen en op te ruimen.
Frans' toevlucht voor noodlijdende dieren, nou ja,... een verpleging van huisbeesten — de roode letters op het witte bord boven den gevel konden zoo prachtig gloeien in de zon; Frans loensde er zelf weer ieder keer trots naar, — was zoo effetief bekend geworden in en buiten de buurt. En Bromtol, in een goede bui, speelde alles zoo rap klaar. Hij zong erbij, een eigen wijsje:
Hier as van ouds de scheerderij
Mit 'n tjoekel ketant erbij!
Kedoo 'n kettingkast mit bout en moer,
Frans Scheendert's en se soontjes voer.
Die schoor temeê al honden. Den weerspannigsten blaffer bond hij den bijtbek dicht en floep ... gereed was het baasje! Frans hield toch van den schelm.
In het donker, met zijn lampje, scharrelde de grijze Eenpoot met een krampig naar voren gewrongen onderlip. Dat deed hij immer, als hij onvast stapte en dronken was. Dan gromde hij kwaadaardig en schimpte op het Westermoordhol, de oude Wester-Suikerfabriek, waar hem tusschen een machinerad de linkerhand, op één vinger na, was afgedraaid. En dan vertelde hij altijd weer, huilerig-wrokkend en woest, van zijn ongeluk, met een opgezwollen, paarsvlekkigen zatskop.
Beverig stond Jaap Eenpoot zakken stoomkrullen te leegen;
Duikcirije: jochie.