415
verweet zichzelf snerpend zijn stommigheid, dat hij de vorige week van Sluizer, het sluwe, geniepige vogelhandelaartje, trompettertjes kwam af te koopen. Het was nu het schaarsche jaargetij voor vogels, en hoe moeilijk, de zangertjes voor een goed prijsje kwijt te worden. Want Frans was als verkooper toch linker dan ze allemaal dachten. O, hij stond vast op zijn jofene hiepen. Zoo een dolgezelligen dot als zijn Londefensie, met al zijn lieve luimpjes en grillen, en zacht-snorrende flui-terijtjes, wou hij eigenlijk nooit verpatsen. Kon hij daar maar wat van fokken! Dat oranje met wit tegen de helle slagpennetjes, het was mirakels mooi. Maar zij waren zoo broos van leventje. En dan, nou had hij het bovenhuisje en nóg vocht Frans tóch met de ruimte. Hij kon wel zijn heele klappergeveltje volhangen met zingende en roffelende holfluitertjes,... wat hielp het hem? Als het verderop liep in het getij, kon hij weer zijn goudvink-kooitjes volproppen; gingen ze weer vechten om het hoogste slaapstokje, 's avonds. Ach, ach, mocht hij maar hiér weg. Nou zat die dronken ouwe Eenpoot misschien weer aan de zaadbakken te knoeien. Waar bleef die raapsteel, die verpleegster toch? Dat zijn wijf nou niet begreep hoe hij zat te broeien om er tusschenuit te schieten! Het kindje, zijn jongste, moest geholpen. Nou ja, dat was maar een menschje. Zijn honden, zijn vogels, zijn konijnen, zijn katjes gingen vóór! Zijn heel pension! Als het nog langer duurde, kreeg hij zijn paarden-afval ook niet meer op tijd voor zijn arme tjoekels. Verduveld,... nou had hij vergeten een beetje negerzaad te strooien op het versche zand voor zijn krank sijsje.
Jachtiger drentelde Frans heen en weer, van de glazen middendeur naar het eene achterraam. En giftig weer, stootte de stem van Nel uit het bed:
— Knul... sta stil!
— Ikke ... ikke ...
Wa ikke, ikke? ... a-je geen geduld heb ... la-je dan vast voor engeltje oproepe bij Onseliefeheir!
— Ikke staant...