4i4
— Keirel, sta stil!
Nel kreet zenuwachtig uit bed, schel ondanks haar Zwakte:
— Is me dat 'n gewemelte ... kuifduiker!... poerwurm!
Frans zweeg. Schichtig keek hij naar zijn versch door Jan
verguld penduletje op den schoorsteen. God, god, al bijna tien uur, en hij moest naar zijn beesten. Hij had vier vroegruiende Saksers, waar hij nog zeer voorzichtig mee moest omspringen. De mooiste gele, met zijn vaalgroen halskraagje, zijn lichtgoud keeltje en zijn bruinzwarte slagpennen, zat een heelen dag dik, met de veertjes achteloos opgekruld, de oogjes saamgeknepen, roereloos op zijn stokje te suffen. Het drong bang in Frans .. se wijf had netto gelijk, maar ... maar ... as dié Saks er s'n hachie maar niet bij inschoot! . .. Jezus-nog-toe, dat zijn wijf hem hier nou zoo ophield en zijn heelen ochtend bedierf, terwijl hij nog zóóveel doen moest!
— Maak je gedroogd eigeel hiér,... stompte Nel er weer uit.
— Allangst klaar.
— Allemachies! wa kladdig!... Je beschuitkruim dan?
— Klaar.
— Nee sóó naai... jij ... je leeft in de gloria!... zure aal!... en je wordt bedeeld mit 'n bloote gulde,... gehollepe van 't arremehuis!
— Allangst óp!... pruttelde Frans weer, schuw onder Nel's spot.
Zijn muskaatnoot raspen en zijn wortels, en zijn eierschalen gruizelen, kon hij alleen beneden. Aan Jaap overgelaten, vraten zich de gulzigste beesten buiten kennis temeê! Ach, ach, die uitruiers gaven Frans altijd onrustige dagen en nachten. Ook nou zat hij kooitjes te reinigen voor zijn groenvinkje,... hij had er nog een pracht met een vleezig-dikken snavel... en het traliewoontje op te poetsen voor zijn paar fratertjes en zijn Zwartkelige barmsijsjes. Gaf tug louwfikus ... Gek, dat hij met zijn gevlekte kleur-kanaries veel minder last had dan met zijn dofgele. Ach, ach, wat had hij weer zijn handen vol. Frans
Naai: handig, — louwfikus: niemendal, niets.