413
dat vreeselijke, .. zoo hard en zoo streng ... neen,... dan nog honderd maal liever zijn opvliegende Nel met heel haar ziek bedil en al haar stuipende woede. Ook van zijn oudsten zoon Jan moest hij weinig hebben. Die wou zóó maar dienstweigeraar worden!.... Soo'n straatmuzekant! Vroeger altoos peese en poen verdiene, en teugeswoordig stond ie maar te snorke en uit te dage ... en te swetse vati riffelusie ... Dat soo een goocheme Manus Peet hem dat niet de knersende knar kon uitprate!.. ■, Ook met Bromtol wist Frans geen raad, dat grom-merige prutsertje! Al naar gril en luim bracht het kereltje Frans in verrukking of deed hem beven voor zijn grootlef.... Oneerbiedig stuk frete! Die prengel sei soms soo floep-maar:
— Opsij fader ... je stinkt as 'n uijejood!
Eigenlijk was Scheendert alléén huismoederlijk baas bij zijn beesten in het asyl, onder de lage zolderbalken. Bad-Aap had het hem dikwijls voorgesmeten. En het was waar. Hij sliep veel liever op den steenen vloer van zijn toevlucht, onder hok-kenstank, tusschen het blaffen, janken, kermen, miauwen, schreeuwen, fluiten, ratelen, koeren en knorren, en kwaken en kraaien van zijn honden, katten, papegaaien, parkieten, kanaries, vinken, van zijn konijnen, hanen en duiven, eenden en kippen, dan op het zachtste koffertje, onder Nel's oogen. Beneden, in zijn beestenpension, was zijn werk menigerlei, één stil genot; ernaast, in zijn woning, werd hem alles branderige en zenuwachtige karwei, viel zijn patet op zijn knieën.
II.
Het Hollandsch binnenhuisje van Frans Leerlap. — De geheimenissen van een kelder. — Buurttafreel.
Nel was juist bevallen van een zoon. Zij leek nog heel zwakjes; pas vijf dagen kraams. Frans Leerlap scharrelde onwillig in zijn woning rond, dien ochtend. Want zijn vrouw had hem strengelijk bevolen, te blijven wachten tot de verpleegster kwam.
Orommerig: nietig, onaanzienlijk.—Koffer: bed en bedstee.— patet: kop.