4iü
— Goudsblom, Spaarndammerplesoen en dc Bocht, me-rakel!... had Nel uitgeroepen.
Over haar uitgemagerd, geel gezicht met de inzinkende oogen, trilde een glans van zachte blijdschap en met haar tengere armen maakte ze nerveuze gebaren als een vliegen-weg-zwaaiende paardenstaart: heftig en toch zwierig. Ook Frans lachte vergenoegd, nu hij zoo gauw roemer en schenker tegelijk naar honk gestuurd kreeg door een gunstig lotsbeschik.
— Kan 'n snotneus bij overschiete!... gierde Nel er schaterend uit.
Scheendert dacht eigenlijk nooit lang na over gebeurtenissen en zaken in de wereld; gaf branderig ongemak. Hij dééd maar. Het zou zichzelf wel allemaal bij elkaar sloffen. Dat was nou zijn stiekem botterikken-benul van de dingen. En zooiets pruttelde hij niet uit ongezindheid tegen al wat er geschiedde. Integendeel: hij was doodsbenauwd dat hem anders overal het vierkante gat van de deur zou worden gewezen.
— Doen, doén,___zong het in Frans,... nauw besef houden van uur noch tijd ... en dan doodrustig afwachten en len-sen hoe alles zoo uit zichzelf weer uiteengevouwen zou worden. Daarom verkocht hij nu zoo goed ganzen als papegaaien. Toch, Frans bleef nog altijd even vreemd en schuchter, angstig en verlegen temidden van zijn groot en óverwoelig gezin, als vroeger. Voor Corry was hij heel bang. Wat wou die pauw, die trotsche prent, eigenlijk hier nog in de beis? Haar plunjezak leegschudden? Temee kreegzenogsmeer...alszelouwpoekelde!
Frans kromp van schrik in elkaar voor haar kleineerenden toon. Allejads ... die gong ook al geen kookspek meer hale van nege stuivers 't ons! Die draaide ook niet meer d'r rokke stijf veur 't pierement! Dat leefde maar van paradegeld! Die goeie Jan Gouwenaar kwam ook te berde ... in se gepieker ... had hem vroegerst sukke mooie vliegertjes meegebrocht... lest nog ... toen ie nog geen asyl bezat... vuurrooie tangeratjes en kuif-kardenaaltjes, prachtig!... Hoe had Cor hem van den drempel gesnauwd! Die meid kon kijken, ook na ... na
Snotneus; een gezouten varkenskop.