4ii
Daar, bij een slager, roofden zijn losgesprongen honden kluif en been.
— Komp se toe, die vuile prijswoekeraars,... schold Nel er weer overheen.
Vluchtduiven bevuilden groenten-uitstallingen en negotie.
— Leerlap ... beschiet je dak tug beter!... kreet een fruitvrouw.
— Oranjelijster!... gilde Kikkie Vlaggestok mee ... ik sla ze an gruusel, je beiste!,.... je schurftige katte en je kreupele honde...
— Sette me jou de knijpplanke op je gefel!... viel een ander smalend bij.
De tjoekels blaften de Goudsbloemstraters boven, beneden, achter en voor ״de senewe in 't hart". Een keer kletterde al heel in de vroegte, een woedebui van een garnalen-verkoopster op Frans neer. Een ander maal werd hij 's avonds laat uitgejouwd voor toddik en hondenmepper, door een sigarenmaker die 's nachts niet maffen kon van het dolhuis-lawaai en het geblaf rondom ... Maar de heele Jordaan hield broederlijk-veel van Frans, voelde mee met Nel en verfoeide Corry. Daarom lieten de Jordaners Scheendert toch ongemoeid badderen en woelen in zijn asyl, al zagen zij den ganschen dag in het kelder-duister, diep onder de straat, niets anders dan de vlam van een petroleumlampje op en neer wandelen, en al hoorden zij het vreeselijke dreigblaffen van den buldog in de schemer-donkerte.
Maar Frans was dolblij met zijn stoepklapper en hij jubelde met een soort van schrikgeluk in zijn stem, naar Nel:
— Faur nog geen kimmel meier 't jaar rond!
— 'n Snappertje effetief,... beaamde Nel gebluft,... nou kê je sjaanse!
Omzet, ruil en verkoop gingen al sneller en beter. De vrouw van een klabak en de dames van de deftigheid, zij brachten hem evengoed de klandizie.
Tjoekels: honden. — Sjaanse: chancc — Kimmel meier; driehonderd gulden. — Snappertje: gelukje,