4!o
Frans blééf zwijgen en Nel vond hem zoo opgesleten en kaal als een leeren brandemmer
Rilkoorts en duizeling kreeg Frans telkens weer, bij het Zien van een hond met gecoupeerde ooren, een onnoozel beest dat menschelijk huilde en jammerde in zijn hok, en van pijn-razernij de eerste uren zich den bloedenden wondkop nog openstootte tegen de roesttralies van zijn gevang. Frans walgde van zijn wrangen helper, die het dier de oorresten ijskoud op den bloederigen kop had bijeengenaaid en de vlijmscherpe schaar, waarmee doberman-pincher's gevoelige lappen waren afgeknipt, besmeurd op bank of in hok, tusschen zaagsel en zand liet slingeren. Frans haatte Bromtolletje, als hij het straatkereltje van duivelsche wreedheids-pret zag grinniken, zoo uit school, vlak voor het tjoekel-hok, toch griezelig en vies terugdeinzend, en wanneer hetzelfde Dirkje driftige bijtko-nijnen-vrouwtjes die malkander mishandelden, doodgemoedereerd de tanden afkneep. Onder Frans' rillenden deernisblik stotterde Bromtolletje dan verlegen:
— 't Mót fader!... me binne bink ... nie hij!
Frans zuchtte:
— Soo.
— Roojem fader... dié se klomp is één krats!... gaant na ham... Ka je nie meer kwijt... an de rikketikkebons auk nie!...
Na maanden in zijn duister-diepen en zoet-stankigen kelder allergenoeglijkst te hebben rondgebadderd, letterlijk vechtende met de ruimte, kreeg Frans Leerlap van den snaak-schen rentenier-eigenaar, onder heftig buren-protest en scheld-gedreig van omwonenden, toch den stoepklapper boven zijn ״affaire" erbij; hoofdzakelijk voor zijn in- en uitheemsche vogels. Dat werd een heerlijke verademing en een ontroerend feest voor Frans. Hier, bij een kreupelen melkboer, snoepten zijn pension-katten melk uit de winkelvaten.
— Se suipe d'r 't water weer uit,... ironiseerde Nel helsch,... se binne gaar!
Roojem: moet je kijken. — Klomp: reuzenpens. — Ham: huis; heeft Rfgedaan. — Rikketikkebons: Qome Jan. — Bink: baas.