4°9
mels en de bekoorlijken, de kwaadaardige bijters en de kwispelende vleiers, de schuwen en de uitbundigen. Hij hield van zijn parmantig puttertje dat zijn voer in een roodvervig wagentje voorttrok, éven veel als van zijn grimmigen blafbuldog, die in den asylkelder door zijn dreiggeluid ontzetting bracht onder verschrikte bezoekers. Hij hield van zijn kakeltrotsche hanen, stout en pronkerig in de veeren, even veel als van zijn wildsten en bijtlustigsten papegaai. Omdat Frans al zijn beesten behandelde in rechtvaardige genegenheid, kende hij ook geen vertroetelende voorkeur. Het witte kanariezaad verdeelde hij altijd stiptelijk, na er zoet zomerraapzaad doorheen gemengd te hebben. Gaf hij bij de voedering van de luid-schreeu-wende papegaaien en leutergrage grasparkieten ook de kleine zangvogels een hennepje, dan kreeg een afgunstig-huppelende en gulzige loerder ernaast, een even groote korrel zijn eetbakje ingeworpen.
Frans behield zoo onder zijn liefkoozingen een rustig geweten, omdat zijn eerlijkheid en zijn genegenheid elke wedvlucht onderling schuwden. Frans wist het zelf:... hij leefde vaak in overstelpende, telkens uit schaamte teruggedrongen verrukking, tusschen en met zijn dieren en toch, voor zijn zuur en nederig broodje, van Nel en Jan achterna gejakkerd, moest hij wel het afschuwelijk-wree-de castreeren en coupeeren, — door zijn grijsharigen helper snel verricht, — toelaten. Op sommige dagen bracht dit martelbedrijf het meeste poen in van zijn heele pernoose.
— Wa koefnoen komp gaat koefnoen weg, botboer... schaterde Nel opgewonden.
Frans zweeg.
— A-jij voor pesioen peest, dans ikke voor Malle Aaltje!
Even lachte Leerlap.
— Hé doofpot... hei je geen krop meer? ... seg je niks? ... Of binne jou oorlelle ook gekepeerd? ... neem d'r 'n keilertje op!... gierde Nel weer schel.
Keilertje: een slokje. — Pernoose: broodwinning. — Peest: zwoegt.