404
vloekte Nel in haar zinnelooze drift en woedende heersch-zuchtigheid haar ״gokker" stijf. In zulk een hondenhok zou geen enkel schepsel hem opsnorren. Lei je dadelijk uit! Kon je nou nooit niet een snappertje maken. Wat een pikeur toch, haar lammenadige kerel! God-eeuwige-Jezus, dat knieshol van de Lindeburgwal, was nou nét geknipt voor een paar blauwboesen van breisters, die met Jantje van Alles achter de Ronde Luthersche, haarlie lustjes en pleziertjes al lang hadden uitgerold. En ook, in zoo een spleetsteeg ademde de snurre-kert weer alléén boven riolen en verstopte goten, precies als in den walmenden Goudsbloemstraatkelder van Kakkemie, de huurwoekeraarster, die nog twee jutjes of een geel briefje per week uit haar vuns woonkrot perste.
Frans Leerlap, gekwetst door Nel's bijtende scheldcritiek, temperde met wat schaamtelijke, toch schuchter-terechtwij-zende woorden, juffrouw Stampvol, gelijk Nel nog altijd wegens haar zenuwachtige bereddering en drukte-om-anderen, genoemd werd door de buren.
— Wa ... wa... valt dé koel op ... op ... me leje,... op ... op ... 't teugeswoordige augeblik,... kwam hij schuw te stotteren.
Ook Jan, Nel's oudste zoon, die zijn vader nooit bijviel, integendeel eêr afschuw had van Frans' glibberige zoetsappigheid, — naar hij schimpend het teedere, weifelende en weekhartige in Leerlap's aard hekelde, — vroeg zijn moeder met tartend-ironische stembuiging, waarom zij dan niet haar deftig tiejeis-pandje in de Nieuwe Leliestraat afstond voor een asyl?.... Een mooi sjaansje voor hullie. Ware zij temeê gehaaid geborge in de Kalverstraat van de Jordaan.... En schimpend lachte hij na:
— Uitgaan is ommers 'n nekslag waard ... ik verkoop me plesier nie ... voor geen twee boereknoope nie!
Toch had lichtgeraakte Nel's aanval tot gevolg, dat Frans Leerlap zijn verpleging van huisdieren wat grootscheepscher aangreep dan hij in de Koninginnegang zou klaargespeeld hebben. Op het Vuile Weespad, tusschen Laurier- en Rozen-
Snappertje: geluk. — Jut: tien. — Boerenknoop: rijksdaalder.