III.
395
De heilige en allegorische mensch van Nazareth blijft voor Manus altijd een werkelijkheid.
Ook Manus had heel veel nagedacht over de gewijde Openbaringen, over de mythe der Evangelische Christus-figuur, en misschien waren zijn zoetste mijmeringen wel in dit onbewust-verhevene vervat. In zijn volslagen ongeleerdheid erkende Manus, van het levens-ontstaan en het levens-geheim niets te beseffen. Doch wat hij verstond van de uitingen der geleerden en geletterden, deed hem listigjes zien dat ook zij er niets van begrepen. In dit bewustzijn had hij over de legendarische of historische verschijning van de Christus-figuur zijn peinzingen saamgetrokken. Hoe kon hij voor anderen met zijn onverstand uitmaken, of Christus wel of niet werkelijk geleefd had? Een aardsch schepsel moest wel onmenschelijk geleerd wezen, wanneer hij in vreemde talen kon volgen al wat er over het probleem werd aangekruid. Heel erg geleerde menschen en diepe kenners van Het Nieuw Verbond,—Manus wist nauw hun namen te onthouden, — verklaarden: Christus uit Galilea heeft werkelijk bestaan. Nog veel geleerder menschen, — met nog moeilijker namen om de knar in te planten, — verklaarden: hij heeft heelemaal niet werkelijk bestaan, het is alles opgesierd verdichtsel, mythe. Vergelijk maar de geschiedenis van het Romeinsche Rijk en het Joodsche land. En dan wierpen zij vlak voor je ontstelden neus, dikke boeken open, in allemaal gekke spraken, vol miezerig-kleine lettertjes, die hem voor de oogen wemelden als mieren onder een opgelichten steen. Neen, langs dien weg kon Manus dus nooit tot een oplossing geraken voor zichzelf. En toch wou hij, ondanks zijn ongeleerdheid, zoo dolgraag een kern-van-het-probleem bemachtigen, al wist hij weinig van Pontus Pilatus en van Herodes Antipas.
Toen, op een avond, de maan scheen over het kerkhofje ״Te Vraag" met een wonderlijk blank-blauw licht en zachte huive-