394
jaardag", brandde van een bevende vereering voor den mensch en strijder. Eens in zijn leven zou Manus misschien een volksman ontmoeten, die hem de diepere menschelijkheid van Domela vermocht te onthullen en die hem de tegenstrijdigheid van deze natuur, zijn dor, doodgewoon verstand en vernuft en zijn dwepers-eigenschappen, eerst als socialist, dan als anarchist, als een eenheid bewust liet worden.
Gelijk alle volksleiders, bezat Domela felle, daemoniseerende eerzucht en zekere ongenaakbaarheid. Toch besefte Manus, dat wilden zij invloed oefenen, diergelijken zich op een of andere manier moésten doen gelden. Het bleef nu maar de vraag, of zij door deze invloed-winning hun eigen persoon of hun beginselen lieten zegevieren. Bij velen was er geen scheiding tusschen mensch en beginsel mogelijk. De ineengroeiing leek bij enkelen zoo compleet, dat wanneer de mensch werd aangepakt, in toorn werd verwezen naar de beginselen die toch met hun persoon weinig te maken hadden; en andersom als de beginselen werden gecritiseerd, vaak weer gewezen werd op de grootheid van den drager en de reinheid van den persoon die de leer schiep of propageerde. Toch had Manus bij Domela niet gemerkt, een persoonlijk zich uitdringen bóven zijn beginselen, al was zijn eerzucht grenzenloos bij het willen zien zegevieren van de leer. Doch alwéér,... niet om persoonlijke hulde in ontvangst te nemen, doch uit een soort van vreugde dat de leer overwon. Al had Manus dus voor Domela Nieuwenhuis, als strijder tegen zijn eigen klasse en als aanvoerder van het volk, veel bewondering, hij kon het hem niet vergeven dat hij in zijn godloocheningsdrang zooveel kille en onmenschelijke dwaasheid had neergepend die Peet niet vermocht te lezen zonder van binnen te griezelen.