396
ringen voeren over het Schinkel-water, kwam Manus tot de ontdekking dat er wel een weg was, buiten alle geletterdheid en kennis om. Natuurlijk alleen voor hém van innerlijke waarde. Hij had nu in zijn peinzingen, van alle kanten het Christus-bestaan en den Heiland bezien. Niemand wist eigenlijk met zekerheid iets te zeggen. Toch, in den Bijbel werd de Christusfiguur door de Evangelisten voor onze verbaasde oogen opgeroepen, niet slechts als Rabbi, doch als stichter van het Godsrijk in Israël. Dat was allemaal dichterlijke phantasie, uit elkaar-omvlechtende en weer verwarrende overleveringen van menschen voortgesproten; menschen die in langvergane tijden door een idealen spanningsdrang opgejaagd, naar levens-verlossing snakten. En dat begreep Peet volkomen. Voor zoover Manus met zijn allergebrekkigste kennis kon nagaan, was dit godsdienstig wondergeloof bij nog veel oudere volkeren er ook geweest. Want ook dezen hadden hun Verlossers-figuren, .., zélf geschapen en begeerd! En daarom bestonden zij, in hun aard-schen schijn, ook als hoogere werkelijkheid, voor een iéder, meende Peet. Toch was dit natuurlijk niet de zuivere overgave van den Christen, die in de Evangelische verhalen lichamelijk geloofde, ongeschonden, zooals ze geschiedwaar werden meegedeeld. Manus besefte: wonderen en heiligheid moesten worden bewaard; de Heilige Geest had de Evangeliën zelf uitgesproken. Doch zulk een behoefte aan verstoffelijking van het innerlijk gebeuren en het Onbegrepene, kende Manus Peet niet. Voor hém bestond de Christus als reinste godsmensch, omdat in de zielen van edele droomers, discipelen en zachtmoedige idealisten, naar de realiteit van zulk een wezen, uit het diepste menschelijke kernbinnenste was gesmacht. Het werd een verwerpen van de aarde, met al haar troostelooze smart en ellende, met al haar laagheid, ontaarding, zelfzucht, levensverminking; een verlossings-begeerte uit de beklemmingen van het zinlijk-vergankelijke naar de illusie van het Eeuwige. En toch onderscheidde Manus deze vergeestelijking van ideaal en droom zéér van den banalen opsmukkings-hartstocht der schepselen, die