393
type van den zielloozen kanselredenaar dien Peet zoo verafschuwde om de innerlijke gevoelloosheid en rhetorische koudheid van toon, al brulde hij ook over honger en ellende van het volk. Hoewel Manus Domela had gehoord als een prediker tégen den godsdienst, bezat hij juist al de slechte eigenschappen van den middelmatigen godsdienstprediker: zalving, rhetoriek en een alles-ontgoochelende verstands-nuchterheid. Domela was het ijzige type van den zelfbewusten Büchneriaan, de stof- en kracht-materialist en positivist, de banier-planter van de Vrije-Gedachte, en Manus voelde voor zichzelf, dat veel van dwepende vereering en bewondering, vooral van den kant der vrouwen, de lichamelijke verschijning van Domela moet hebben gegolden. Er gistte een brok hysterie en verkapte geslachts-hartstocht in deze vurige, bijna bedwelmende aanbidding. Zijn hooge gestalte en zijn Jezus-kop, zijn redenaarsstem en zijn gebaren, zijn aristocratische afkomst en zijn zich keeren naar de armen, Ze schiepen een vergoding waar Manus van rilde. Was hij, bochel, geschondene, kriek, ook soms jaloersch op de lichamelijke schoonheid van Domela? Hij wist het zelf niet goed. Er kriegelde iets in hem, als hij de verheerlijkende termen hoorde, de verheerlijking van een ménsch, onder anarchistische mannen en vrouwen. En toch wilde Manus zichzelf daardoor geen oogen-blik tegen de figuur laten ophitsen. Er was toch kracht en karakter in dezen man van verfijnde ontberingen. Want hij had smaad en hoon ondergaan, en grooten innerlijken moed getoond. Hij had voor het volk geleden en het scheen Manus zelfs onbegrijpelijk, dat deze koud-verstandelijke begripsman, die niets deed dan de gedachte van oneindig-machtiger denkers dan hij, compileeren en populariseeren, soms nog zooveel dwepende idealiteit bezat en opwekte juist onder allerlei ״wegschuilers". Manus hoorde Van Zinderen Bakker hem begroeten als een Johannes de Dooper, als een verlossenden Christus. Zulk een vergoding had geen enkele leider ooit beleefd. Zelfs het diepst -indringende en zielszingende woord van Bennink, in het „Gedenkboek, ter gelegenheid van Domeia's zeventigsten ver