388
bleek er ontzachlijke zelfbeheersching voor noodig en het zal wel déze heldendaad geweest zijn die het volk zoo ononderbroken eerde in den strijdman Domela; het volk dat in zijn mateloos verlangen naar overgave, altijd wil vereeren, verafgoden, in een kinderlijk romantisme, en door een grondeloos instinct opjaagt naar legendarische verheerlijking. Doch Manus kon geen geestelijk wrochter en levensleider van be-teekenis in Domela zien. Verschillende atheïsten-boekjes, afschuwelijk-ziellooze, populaire vodjes, had Manus van hem doorgebladerd. De man meende het natuurlijk volkomen ernstig, doch zijn houterige ernst was juist zoo duldeloos en kil. Het werd alles zoo verstard, zoo hard, zoo laag-bij-den-grondsch. Het waren allemaal blikken en zinken woorden. O, hoe had deze man, gromde Manus, de goddelijke mythe van de Christus-figuur ontluisterd met zijn knarsende en zanderige taal.
Peet had ook van Bakoenine gelezen. Maar hoe oneindig veel machtiger en stouter verscheen deze aristocratische Rus en revolutionnaire avonturier. Telkens als Manus van Bakoenine wat las, dan was het alsof hij stond vlak nabij een vlam door windvlagen aangeblazen. Zijn taal zengde. Zulk een oer-verwoester boeide Peet vanaf het eerste tot het laatste woord. Hij zag dien duivelschen menschenreus oprijzen en boven heel Europa uitsteken. Dat was de heros die voor de indivi-dueele vrijheid streed zooals niemand vóór hem. Met Bakoenine golfde de brandende en vernielende daad als een vuur mee. Bakoenine voelde den opstand apostolisch; was zélf de opstand, in zijn verschrikking. Peet hoorde deze geweldige borst kreunen en hijgen. In zulk een gigant was het atheïstische niet meer iets bespottelijks, iets inkrimpend-kouds en kils van het doode verstand. Manus besefte het dadelijk, dat deze man al zijn persoonlijke belangen totaal ondergeschikt maakte aan zijn teugelloozen strijd-hartstocht en zijn kampen voor de menschen. In Bakoenine leek Manus alles van een oceanische woelwijdte. In zijn toorn gromde hij zelf als een zee bij storm.