386
II
Manus en de Jordaan-iongeren.— De schim van Domela.
— De vernieler Bakoenine.
Manus Peet had Corry niet meer gezien. Hij nam zich voor, vandaag stoutmoediglijk het asyl van Frans Leerlap in de Goudsbloemdwarsstraat in te stappen, maar weer kwam er iets dwars voor de schenen. Hij werd overal opgehouden en aangehaakt; in de Tuinstraat het langst door Gouwenaar's logementhoudertje, dat steen en been klaagde over Jan's achterstallige schuld. Toch merkte Manus onder de Jordaners al heel geringen zin voor sociale hervormingen. Het was een schelden en schimpen in het wild, op al soorten socialisten en regeeringslui. Wel sprak Manus met vele mannen en jonge kerels, door het geweldige gebeuren van dezen tijd woest aangegrepen, maar er was geen drang, geen ernst. Manus zag alleen groote uiterlijke veranderingen in den Jordaan, na de verbijsterende oorlogsjaren. Zwaar-baaicn rokken en witte jakken legden het af tegen kniekorte rokken en doorschijnende kousen. Alles was chic en mode. De meisjes wilden niet meer dienen ״bij den rijkdom". De heele keet trok naar fabriek: wijf, man, meid, knaap. Manus zag een wereld van uiterlijke dingen, tot den grond toe wisselen. Het vrouwvolk kuierde lichte-kooierig en poenig-opgedirkt. De knapen sloegen branie met alkleurige boorden, overhemden, gele schoenen, en rookten vuns-walmende, engelsche cigaretten. De weinige Jordaners die zich met het maatschappelijk gebeuren moeiden, bleken — Manus ervoer het telkens weer, — slechts afschuw en verachting te voelen voor het parlementarisme.
Peet bezocht vergaderingen van de vrije groepen, waar over alles „geboomd" werd, meestal door anarchistische sprekers. Want wanneer de Jordaners nog voor iéts voelden, dan wel voor het revolutionnair anarchisme. Er werd hun ingeprent,