385
geestelijk begon te bestaan, wilde hij alleen door zélf-oordeel zich laten leiden. Toch voelde Manus dit niet als koppigheid of verwaandheid. Diep oordeelen bleef voor hem een zaak van innerlijk-intuïtief beseffen en voelen; niet van kennen en leeren. Oordeelen kón je niet leeren, meende hij. Manus verlangde evenmin een oordeel opgedrongen te krijgen, als zijn oordeel anderen op te dringen. Dat oordeels-opdringerige maakte hem juist zoo kregel in het boek van Adama van Scheltema. Al het leelijke, gebrekkige en slechte in de verzen van Henriëtte RolandHolst, wilde hij voor zichzelf ontdekken. Niemand kon voor hém het mooie en het leelijke keuren. Had hij geen oor, geen smaak, geen beschaving voor en tot hoo-gere onderscheidingen, dan zou hij die ook niet verkrijgen door zich in te pompen wat anderen mooi of leelijk vonden. Had hij ze wél, dan beleefde hij zijn eigen mooi en zijn eigen leelijk alleen en voor zichzelf, zonder nabootsing, al ging zijn keur ook dwars in tegen het veel mooi-gevon-dene of veel leelijk-gescholdene. Tenslotte, grinnikte Manus stillekens, was het toch zijn onbeschaafde koppigheid die geen voorlichting begeerde. Wel genoot hij van voorlichterij die innerlijk iets openbaarde. Doch dat ״iets" moest in de diepte van zijn eigen ziel hebben rondgezweefd.
Neen, Manus Peet wist het nu vast,... hij kon geen schoonheid leeren voelen en zien. Men zou hem evengoed kunnen leeren liefhebben. Voor zichzelve was Manus overtuigd, dat hij het oer-zuivere grondgevoel ervoor bezat. Dat moesten anderen blijkbaar toch ook van zichzelf heel „verwaand" beseffen. Hoe zouden zij anders zóó vast-inprentend durven vonnissen of prijzen, zonder zulk zelfbewustzijn? Dat hij het in zich had, was voor Manus voldoende. Erkenning ervan, begeerde hij van niemand. Zelfs mocht een iegelijk het in hem loochenen, als de lust ertoe prikkelde.
25
Manus Peet.