384
verafschuwde en telkens ervoer Manus, uit tijdschriften der Leeszaal, dat de dwepende bewondering voor haar arbeid vooral kwam van den kant van Christelijken, zoowel van Protestanten als Katholieken. Dit wees op een zonderling, onbewust-religieus lokken. Doch Manus liet zich niet ontnuchteren. Want de smartelijke menschelijkheid van deze zich-louterende vrouw, die zich in haar trots vernederde en in haar vernedering weer ophief, verlangde hij tot de laatste uitadering te kennen. Omdat in de somberte en in de chaotische gebrokenheid iets martelend-menschelijks leefde dat Manus als een verwantschap met zijn eigen wezen beschouwde en in Mevrouw Holst's verzen herkende als iets oneindig bewogeners, oneindig diepers en meer tragisch dan de levensjubeling en den klank der overwinnings-klaroenen van het heidensche Gortervers. Men had Manus ook onder den neus geduwd, de vernietigende beschouwing op haar arbeid van Adama van Scheltema. Doch zulken hoonpraat weerde Peet met een innerlijke woede van zich af. Ook van dezen volkszanger, Adama van Scheltema, had Manus gelezen. Hij begreep niet dat zoovelen hem vooral als strijddichter inhaalden met loffan-fares. Want ook in dezen mensch had Manus de tegenstrijdige werkingen van ontgoocheling en verrukking beleefd. Hij beluisterde een innige, zoete weemoedsmuziek in het woord van Scheltema. Maar zoodra ging deze man anderen bekijken, omdraaien, bevitten en schimpend uiteenrafelen, of hij werd blazerig. Dan smakte Manus zijn boek in een hoek.
Manus gaf in den grond eigenlijk geen zier om wat over personen of voortbrengselen van personen, door anderen werd beweerd of geschreven. Al was hij ook nóg zoo ongeletterd en al had hij een heel leven schier verzworven tusschen misdaad en verrotting, tusschen onwetende arbeiders en het domme, ontzielde volksgemeen, in de laatste vijf jaren wist hij door ״eeuwig" lezen, veel van zijn achterstand kernig bij te werken. Doch van den eersten dag af dat hij weer