394
sefte hij hoezeer deze tragische, in gevoels-overspanningen zich afmartelende vrouw, door anarchisten werd misverstaan en verloochend. Zij sprak wel van arbeidsplicht en van arbeidsleven, maar volstrekt niet ״plicht" hier gesteld als een kwaadwillige discipline, in vernederende overmacht van het eene schepsel op het andere. Ook Manus ergerde iets hooghartigs, iets bijna aanmatigends in de „petroleuze". Hij bemerkte, hoe dringend zij telkens ontroeringen en begrippen van proletariërs wilde naderen, maar dat zij deze nadering met een eigenaardig zelfgevoel tóch beschouwde als een soort van geestelijke afdaling. Hij doorzag instinctmatig en dadelijk, dat zij zich op één hoogte voelde staan met de verhevenheid van haar stoutste idealen. Voor velen moést wel duldeloos zijn, haar halsstarrige, fanatieke dweep toon, haar blind doorslaan. Zóó moest het wel anderen een ongeloofelijke verwaandheids-verstarring toeschijnen. In haar ervoer Manus geen oplossing van eigen persoon in het algemeene, doch andersom, een oplossing van het algemeene in haar omscheppende en dichterlijke ikheid. Dit vereenzamen van het algemeene, deed juist vaak een starre, stroeve, hooghartige en snijdende kracht in haar geboren worden, die alle zelf-ontleding ontbeerde. Zij sprak niet als een dichteres, die door haar eigen ontroeringen opgezweept, in geestdrift geraakte, maar als een somber-dreigende, in zwijmelroes-verloren zieneres. Zij riep visioenen óp en bracht die met een dwingende suggestie van stem, gebaar en houding, en door de zware deiningen en rhythmische schommelingen van haar taal, op haar luisterend auditorium over. Zij dwong mateloos, tot mee-gelooven en tot mee-leven. O ja, Manus hoorde en voelde het nu in alles,... in deze vrouw trilde de vlam van de heilige geestdrift wit-heet. Ook zij bewoog zich in een lichtkring, doch zoo gansch anders dan Troelstra. Deze on-gebreideld-fanatieke vrouw onderging een innerlijke zelfbedwelming als zij zich uitstortte voor het volk. Haar heesche stem, haar doffe grommen, haar spraak-hapering, het deerde allemaal niets. Het brandde, het gloeide, het stroomde in één