378
hij, waarom zij hem beschimpten als den hol-rhetorischen, druk-gebarenden poseur, die met een schijn van geweldige overtuiging, toch niets anders deed dan innerlijk weifelen of listiglijk uitgluren naar het ruchtige succes en den fanatiek-sten aanhang. Manus had dadelijk het dubbelkarakter van dit woord en van dezen man gevat. Hij zag in Troelstra een wezen, dat geen hachelijker vijand en dreigender verdelger van zijn innerlijk evenwicht telde, dan zijn eigen hartstochtelijk temperament, zijn eigen losbrekende dichterlijkheid en zienersvervoering. Daarom moest een Troelstra zich pantseren tegen het gevaar van daden-roekeloosheid en vermetelheid; een vermetelheid en een revolutionnaire drift, die in het diepste van zijn groote, altijd trillende ziel alléén zijn liefde had. Doch tegelijk verscheen hij voor Manus als de nuchter-spottende werkelijkheids-kenner, die zijn eigen hevige levensvaart bedwong met het tegenstrevende, schier daemonische sarren van zijn ontledenden geest. Dan kampte het vuur van zijn ziel met de ijzigheid van zijn vernuft. Zoo zag hem Manus als een vlam, gedoofd door eigen bluschmateriaal. Troelstra mocht wel de nuchtere, aanstellerige terugkrabbelaar en in-krimper lijken, om zijn drang tot den sprong naar den uitersten linkervleugel te beteugelen. Daarom hoorde Manus zoo tragisch den wellustkreet naar opstand en vrijheid in de strakke en temperende ontgoochelings-woorden van den reformist, die de uitgesleten schoenzool soms prefereerde bóven de pasgeslepen schaats.
Toch was dit alles voor Manus nog heel nieuw. Geen enkele partij en geen enkel persoon had hij voorkeur geschonken. Hij wou zelf zien, hoé beperkt ook, zelf oordeelen, hoé onjuist misschien; en zelf ondervinden, hoé pijnlijk allicht. Daarom bleef hij diep in zijn binnenste verheugd, dat hij Pieter Jelles was gaan hooren. Want nu ervoer hij eerst, hoe in dezen strijder een heerlijk-doorstroomende levenskracht koortsig-nerveus joeg en hoezeer hij, — heviglijk belasterd en beschimpt en neergehaald, door zijn vijanden weggetrapt