373
ner en bespotter van het revolutionnaire bewustzijn, een kerel die moest worden uitgestooten, verworpen of aan de galg geheschen. Hij was veel gemeener, veel sluwer, veel verdorvener dan de minste bourgeois.
Een ״bezadigder" communist hielp het dadaïstische wraak-spuwertje uit zijn kwaad gesternte. Bezadigd merkte hij op, dat deze malle en geslepen Fries, die zoo dolgraag voor schrikbewind fungeerde, niets anders was dan een klef droogscheer-dertje, een binnenvettertje, die handelde in meeningen; een kwal-mensch die ieder uur van den dag zichzelf verkocht, als hij er maar voordeel bij vond. Bezadigd merkte hij op, dat alle revolutionnaire strijdhoudingen van Troelstra niets anders waren dan vulgair-berekende smeerlapperijen van zijn geesteloos advocatenbrein.
De „bezadigde" ging voort, nog fanatieker dan het bibber-bleeke communisten-jongetje. Hij schold Troelstra een domper, een vernietiger, een groven verwoester van heel het jonge leven in het socialisme. Deze vos-sluwe, toch stomme uitloerder naar vette baantjes was éven doortrapt en misdadig in zijn gesproken woord als in zijn geschriften. Kuyper's rechtzinnigheid noemde hij nog doorschijnend naast het valsch-tintelende gloriespel van dit schel vernuft en van dezen heerschzuchtigen charlatan en volksverrader. Op zijn ijdele ooievaarsbeenen slingerde hij heen en weer van rechtsche naar linksche, van linksche naar rechtsche groepen, dén om in het gevlei te komen van het revolutionnaire proletariaat, dén weer oot-moediglijk smeekend om de gunst van de conservatieven der sociaal-patriotten. Zijn diplomatiek Mongolensnuit deed niets dan gluren en loenschen. Wanneer het óver-leepe geweerdragertje Kleerekoper meehinkte in den pas, dan was het omdat deze triumphale mooiprater en schette-raar, die zijn eigen kinderen aan den rijkdom verkocht, óók handel dreef met de slavenzielen der afgestompte proletaren, gelijk de Scheidemannetjes en Noske-schurken en de erbarmelijke hazelaars der vak-politici,