383
drongen kreeg van brekebeenen die voor hem toch maar monniken-latijn smonselden.
Manus bezocht vergaderingen van communisten, anarchisten, socialisten; zelfs bijeenkomsten waar allerlei soorten van burgerlijke redenaars optraden. Hij wou weten, overzien, nadenken en vergelijken, en als het kon, overal zijn eigen naadje naaien. Hij verachtte al die heetpronkerige kerels en kereltjes, die met zwierig geleuter op dom applaus en eerbetoon van het publiek aasden; die met zwetserige en zweeterige zinnetjes de ingewikkeldste levensproblemen waanden vaneen te scheuren; met de lasso's van hun kefferig vernuft, de worgkunst van hun platte praatbehendigheid onder allerlei dolle sprongen, onder veel koud en schetterend lawaai, te prijk stelden. Toch werd Manus bijwijlen hevig bekoord door de spontane schoonheid van het improvisatorische woord, als het uit bezieling en innigheid, uit het diepste van het schaduwloos mensch-innerlijk ontstond. Want Manus Peet, wars van alle partijen en klieken, kon overal waardeeren. Hij, een wilde, een vereenzaamde, een twijfelend zoeker, een vreemde in al die rookwalmige bewegingen, had om dogma-handhavingen vriendschaps-verknochtheid, niets in zijn oordeel te verval-schen. Daarom bleef voor hem het diep-tragische bij alle na-gesprekken met ernstige strijders, de felle, verbitterende mee-nings-verschillen, die nóg fellere beschimpingen en bekrompen haat-kastijdingen van onbeschofte tegenstanders onderling uitlokten, en voor het diepere begrijpen en indringen van vraagstukken slechts een vluchtig schimmenspel van polemisch vermaak te kijk stelden.
Een bekend anarchist keef schel naar hem toe:
— Wat... wou jij jouw Ravesteijn verdedigen? ... Dien gekken geleerden maniak ... dien leutersteen, met zijn afgezaagde kletserijen,... dat lucifers-duiveltje uit een doosje, die van zijn Kamer-bank opspringt als een speelgoed-duikelaartje? We moeten niets van dien knutselenden Marxistischen eigenwijzerd hebben.