366
opnieuw te doorleven. Haar oogen staarden blind van tranen en in Manus gebeurde een wonderzoete bevrijding van eigen hevige liefde-pijn. Misschien omdat, — het allervreemdste hier, — Corry precies leed zooals hij leed, in stilte en in het verborgene. En nog wranger: omdat hij wél van Corry alles, maar Corry van hém heel weinig besefte.
Corry snikte zoo hevig, dat Manus haar hand greep en haar innig troostte, en toch tegelijk weer mijmerde Peet: alles Karei, Karei, Karei... hij, Manus, bestond nauwelijks! Zij zag hem niet eens moedgevend en opbeurend tegenover haar zitten. Een poosje stokte haar snikken. Plots begon een stuiptrekkende woede haar te prikkelen. Zij schold nu weer in uitdaging en trots, Karei en Heintje Punt en Neeltje Terwee en Aaltje van Nelis en Blonde Willy, allemaal meiden van Jordaan en Zeedijk, met wie hij liederlijk stoeide en vrijde. Toen kreunend schoot zij uit:
— Geen sikkepitje geeft ie om me!... Ik ben ook maar een vuile del!
Manus suste haar gillende zelfaanklacht. Doch heftiger en angstiger kreet zij er tegenin:
— Een del — ja, een del, een del, een del!
— Tége je wil,... verdedigde Manus haperend.
— Wat Bochel? ... schold Corry woest weer.
— Tége je wil.
— Wat tege m'n wil? ... Dat lijkt maar zoo mondje vol! •. * Geschoffeerd hebbe de zwijne me. Maar als ik niet had geklonke met die Engelsche zeeman!...
Corry kon haar zin niet voleindigen. Rechtop stond zij nu weer en zij weende, wee en ellendig, zacht-kermend, den kleinen mond in kramppijn verwrongen. De goudvlammige hoofd-dos krinkelde los langs ooren en wangen. De gezwollen ooge» leken iets te zoeken op de scheemrige vlieringmuurtjes. Manus voelde zich machteloos. Op het Jaagpad bulderde de wind met loeiende zwiephuilen. Toen plots, zonk Corry voor Peet neer in een uitzinnige wanhoop; greep zij Manus bij de handen